dinsdag 23 augustus 2011

Karel van het Reve & de computer

In deel 5 van het Verzameld Werk van Karel van het Reve (Van Oorschot, 2010, 1162 pagina's, ISBN 9789028242630), staat op pagina 952 - 957 een nooit eerder gepubliceerde tekst uit 1983: "Mijn bedrijf bestaat uit lezen en schijven". Over zijn wensen omtrent een apparaat die zijn werk kan verlichten.

In de Trouw van 11 december 2010 was deze tekst integraal afgedrukt, met commentaar van de Trouw-redacteuren. Omdat dit zou leuk is, plaats ik dit hier nog eens op mijn blog.

Mijn bedrijf bestaat uit schrijven en lezen
(Cursief tussen zijn tekst in telkens de door Trouw-redacteuren toegevoegde kennis over het moment waarop de wensen van Van het Reve werden vervuld.)
Mijn bedrijf bestaat uit lezen en schrijven. Rekenen komt bijna niet voor: één keer per jaar een paar rijen getallen optellen voor het belastingbiljet. Een rekenmachientje van twaalf gulden is daar voldoende voor, en ik heb het tientallen jaren zonder machientje gedaan: gewoon een kwestie van net zo lang een kolom cijfers optellen tot je twee keer achter elkaar dezelfde uitkomst krijgt.
Consumenten krijgen in de jaren tachtig de beschikking over spreadsheets: zelfrekenende programma’s. Sinds eind jaren negentig kun je via internet – papierloos – belastingaangifte doen.
Wat het schrijven betreft: ik moet teksten afleveren, getypt, en ik moet een kopie van die teksten hebben om thuis te bewaren. Dat kan met een gewone schrijfmachine anno 1935 en een ’blauwtje’. Beter is wat ik nu heb: een elektrische schrijfmachine met correctietoets, en een kopieerapparaat. Het zou natuurlijk nog beter kunnen: niet een loodzwaar kopieerapparaat van 45 bij 50 bij 70 centimeter, maar iets kleins, een printertje dat direct aan mijn schrijfmachine vastzit.
Time Magazine roept in 1982 geen mens, maar De Computer uit tot Man of the Year. Rond 1985 komen de eerste personal computers (pc) de huiskamers binnen, met matrixprinters; de combinatie typemachine-printer is nooit populair geworden. Vanaf 1990 verdringt de inktjetprinter met veel mooiere afdrukken de matrixprinter.
Ook zou die schrijfmachine beter kunnen: geen papier, maar een scherm en een geheugen. Liefst een geheugen dat in staat is honderden pagina’s te onthouden. Nog beter duizenden. Dan zou ik het boek waar ik nu al jaren aan werk (’Geschiedenis van de Russische literatuur’, red.) en waarvan zo’n vierhonderd pagina’s van vierhonderd woorden elk klaar zijn, in de machine zelf kunnen bewaren.
Voor het invoegen van een nieuwe alinea zou ik dan niet een hele bladzij moeten overtikken, zoals nu. Ook hoeven bij het invoegen van een hele pagina niet alle daarna komende pagina’s worden omgenummerd, want zolang het boek in mijn machine zit heeft het helemaal nog geen pagina’s. Van omnummeren gesproken: het vervelendste omnummerwerk moet ik doen als ik op bladzij dertig één voetnoot toevoeg. De nummering van alle volgende voetnoten moet dan veranderd worden. Dat is nog niets, maar in de tekst moeten alle kleine kopcijfertjes veranderd worden, en ik weet niet waar die kopcijfertjes staan. Ik moet dus het hele of het halve boek doorlezen als ik één noot toevoeg. Dat zou de machine allemaal voor me kunnen doen. Op een bepaalde pagina zet ik een kopcijfertje, en ik geef de machine opdracht om alle volgende kopcijfertjes met één te verhogen.
Tekstverwerkers als WordPerfect en Word zijn rond 1988 in staat om aan al deze wensen te voldoen. ’Zoeken/vervangen’ is dan al een paar jaar mogelijk – dat is bijna het eerste kunstje van de tekstverwerker. Eind jaren tachtig maakt hij in een handomdraai van ’Oorlog en vrede’ Oorlog en vrede.
Ik schrijf die noot zelf, en geef de machine opdracht hem in de rij der noten te zetten waar hij hoort en alle volgende noten een ander nummer te geven.
Veel tijd zou die machine mij ook besparen op het gebied van de spelling. Iedereen die wel eens een boek voor de druk gereedgemaakt heeft kent het verschijnsel. Je ziet op pagina 174 de naam Johann Wolfgang Goethe staan, en je denkt: wacht eens, ik heb die naam een paar keer eerder in dit boek genoemd, en toen heb ik Johan gespeld, niet Johann. Een Nederlandse voornaam dus, en geen Duitse. Zoals we ook van Karel I spreken en niet van Charles I, en Philips II zeggen en niet Felipe II. Maar met schrijvers doen we dat eigenlijk niet, bedenk je nu opeens. We zeggen William Shakespeare, en niet Willem. Dus terug naar Johann. Maar waar kwam die naam ook nog meer voor? Dat weet je niet meer, en dus moet je 173 pagina’s kopij doorlezen op zoek naar die ene plaats, waar je Johan in Johann wilt veranderen. Voor de machine is dat een kleinigheid: je geeft hem gewoon opdracht om overal waar het woord Johan gevolgd wordt door Wolfgang dat woord Johan te veranderen in Johann (op die manier blijft Johan van Oldenbarneveldt op pagina 32 ongemoeid).
Sommige dingen kan zelfs de duurste machine niet, en moet ik zelf blijven doen. Sommige titels van boeken, toneelstukken en gedichten heb ik cursief geschreven in mijn tekst, bijvoorbeeld Dik Trom en De gebroeders Karamazov. Maar op andere plaatsen was ik dat weer vergeten en heb ik ’Oorlog en vrede’ geschreven en ’Dr. Vlimmen’. Ik kan de machine niet opdragen om zelf alles cursief of alles tussen aanhalingstekens te zetten, want behalve titels staan er ook nog andere dingen tussen aanhalingstekens, zoals citaten, en andere dingen cursief, zoals buitenlandse uitdrukkingen als cave canem of sit venia verbo of macht euren Dreck alleine. Maar wat ik de machine weer wel kan laten doen is mij alle plaatsen laten zien waar aanhalingstekens staan en waar woorden cursief gezet zijn. En als die woorden op mijn scherm staan kan ik ze naar hartelust veranderen, zonder dat ik hoef door te strepen en zo.
Behalve dat boek zou die machine ook al mijn artikelen en brieven moeten onthouden.
Tekst kan aanvankelijk alleen op floppy disks worden opgeslagen, goed voor 150 pagina’s tekst. In 1988 verschijnt de diskette (200 pagina’s), cd’s raken na 1992 in zwang (250.000). Nu kun je op een doorsnee harde schijf 500 miljoen pagina’s kwijt. Het doorzoeken van artikelen en brieven en het ordenen op naam of tijd was al in de beginjaren van de pc mogelijk. Namen- of zakenregisters aanmaken kan pas sinds de jaren negentig.
Bij elke brief en elk artikel of ander stuk heb ik een naam of een datum of een onderwerp en/of een geadresseerde ingetypt. De machine maakt daar als ik dat wil een catalogus van, verschillende catalogi zelfs: een alfabetische op namen, een chronologische en een alfabetische op onderwerpen. Zo kan ik alles wat ik ooit geschreven heb terugroepen als ik tenminste een beetje behoorlijk gecatalogiseerd heb. Zonder dat ik daar verder veel aan hoef te doen heeft de machine bovendien een namenregister op mijn verzamelde werken gemaakt. Een moeilijkheid zou hier zijn om de machine te leren dat hij alle woorden die met een hoofdletter beginnen in dat namenregister moet opnemen behalve het eerste woord van elke nieuwe zin, behalve wanneer dat eerste woord een naam is. Hoe je hem dat moet leren weet ik niet, want een zin zou kunnen beginnen met Venetië of Marx. Misschien zou je hem dat kunnen leren door hem opdracht te geven eerste woorden van zinnen niet op te nemen tenzij dat woord al in zijn namenregister staat. Dus zodra het woord Marx in het register is opgenomen herinnert de machine zich dat hij dat woord vijf keer niet heeft opgenomen, en nu neemt hij die vijf keer erbij.
Dat is nog niet alles. Ik had het daarnet over dat boek dat ik moeizaam aan het schrijven ben, en waarin ik van tijd tot tijd iets verander. Als tijdens mijn afwezigheid mijn huis afbrandt of door krakers wordt bezet of door vooruitstrevende jongeren wordt geplunderd (ik noem maar wat), dan loop ik kans die vierhonderd pagina’s kwijt te raken en is al dat werk van meer dan tien jaren voor niets geweest. Wat heb ik dus gedaan? Ik heb een kopie van mijn boek in een ander huis gedeponeerd, zodat nu twee huizen vrij kort na elkaar moeten afbranden om mijn boek geheel verloren te laten gaan. Maar ik ga niet iedere keer als ik in mijn tekst iets verander naar dat andere huis toe om de tekst daar ook te veranderen. Zodat er nu al een vrij groot verschil is tussen origineel en kopie. Beter zou het zijn als ik automatisch die kopie voortdurend ter beschikking had, en hij tegelijk toch ergens anders bewaard bleef.
Internet is sinds 1995 in zwang. Dat maakt het bewaren van kopieën op afstand via de telefoonlijn kinderspel. Bedrijven hadden toen al lang datalijnen voor het veiligstellen van hun gegevens.
Dat kan als ik me zou kunnen abonneren op een stukje van een reusachtig centraal geheugen waar ik via de telefoon verbinding mee had. Een keer in de maand of een keer per jaar zou ik dan de centrale machine en mijn machine opdracht geven alle veranderingen die ik in mijn tekst had aangebracht over te brengen op het archiefexemplaar in die centrale computer.
Sterker nog. Als ik met vakantie ben in Venetië of Schoorl, en het regent, en ik wil aan mijn boek of aan een artikel werken, dan ga ik naar de dichtstbijzijnde openbare bibliotheek en vraag aan de bibliothecaresse (in Schoorl is dat Ali Ero, in Venetië ken ik haar naam niet) of er een machine vrij is, want in die bibliotheek staan dan een paar machines van ongeveer hetzelfde type als de mijne. En dan roep ik met die machine de tekst en de aantekeningen waar ik mee bezig ben op uit dat centrale archief en dan kan ik verder werken als zat ik in Amsterdam.
De bibliotheek in Schoorl is gesloten. In het naburige Bergen staan sinds de eeuwwisseling pc’s klaar voor de bezoekers. Maar veel populairder zijn internetcafés, overal ter wereld te vinden.
Er is nog iets wat die machine zou moeten kunnen: op het scherm en desgevraagd ook door een mooi afdrukje laten zien hoe mijn werk eruit ziet als het in een bepaalde letter, een bepaald corps, met een bepaalde interlinie, op een bepaalde regelbreedte en een bepaald aantal regels per pagina wordt gezet.
De eerste pc’s (IBM) kunnen dit niet, Apple speelt het in 1983 met ’bureaucomputer’ Lisa wel klaar. Probleem: ze is onbereikbaar voor consumenten, want veel te duur. De betaalbare variant laat dan nog vijf jaar op zich wachten.
Bijna al deze dingen zijn op het ogenblik technisch en zelfs praktisch realiseerbaar. Ze zijn alleen nog te duur in vergelijking met wat het schrijven mij opbrengt.

Dat was het schrijven. Nu het lezen. Ik heb een aantal boeken, een paar duizend. Ze staan in twee kamers. Voor sommige boeken moet ik de trap af. Naast mijn werktafel staat een grote boekenmolen. Op mijn werktafel staat een kleine boekenmolen. Achter mijn werktafel staan boekenkasten. Zonder uit mijn stoel op te staan kan ik zeven encyclopedieën raadplegen en een stuk of dertig woordenboeken. Ook heb ik andere naslag-of naslawerken, zoals citatenboeken, bijbelconcordanties, woordenboeken op bepaalde schrijvers, en de verzamelde werken van een stuk of twintig, dertig, veertig schrijvers.
Niet al te forse naslagwerken passen op diskettes, dikke woordenboeken en encyclopedieën zijn vanaf 1992 makkelijk te raaplegen via cd’s: dan krijgt elke pc standaard een cd-speler. Nu gaat dat online, met zoekmachine Google; universiteiten en musea digitaliseren hun bibliotheken. Online encyclopedie Wikipedia – mensenwerk met een schier onfeilbare status – is tien jaar oud.
Maar dat is niet genoeg. In een stuk dat ik aan het schrijven ben komt Sir Edmund Hornby voor, iemand die omstreeks 1875 rechter was in de Britse concessie in Shanghai. Ik wil de jaartallen van die man weten. Hij staat in geen enkele encyclopedie die ik heb. Dus moet ik naar de Universiteitsbibliotheek, waar ze veel encyclopedieën hebben. Maar daar staat hij ook niet in. Ook in de biografische woordenboeken en Who’s who’s in de Algemene Studiezaal staat hij niet. Ik denk dat een uurtje in de studiezaal van het Brits Museum mij die jaartallen wel zou opleveren, maar om nu voor twee jaartallen naar Londen te reizen... Dus zal er eerlang van mij een artikel verschijnen, getiteld ’Parapsychologie en literatuurwetenschap’, waarin die Sir Edmund voorkomt zonder zijn jaartallen, terwijl ik er die jaartallen juist zo graag bij had gehad, om indruk op mijn lezers te maken. Sir Edmund Hornby zonder meer staat lang zo degelijk en geleerd niet als Sir Edmund Hornby (1839–1903).
Wat ik eigenlijk nodig heb is een scherm, waarop ik niet alleen mijn eigen teksten kan lezen, maar ook die van vele, liefst alle mensen van wie ooit teksten gedrukt zijn. Er schijnt op het ogenblik zoiets te bestaan als viditel. Als je je daarop abonneert krijg je de beursberichten en het weerbericht op je scherm, of als je dat wilt de waterstanden of het laatste nieuws, en wat er in de bioscopen draait. Maar naar de informatie die viditel mij aanbiedt ben ik helemaal niet nieuwsgierig. Het weerbericht kan ik per telefoon krijgen, naar de bioscoop ga ik nooit, de beursberichten interesseren mij niet en het laatste nieuws krijg ik via krant, radio en televisie.
Google start in 2006 met Google Books. Pretentie: alle publicaties wereldwijd, oud en nieuw, beschikbaar stellen. De eerste e-boeken verschijnen in 2007.
Waar ik de beschikking over wil hebben is oud nieuws. Ik wil door het indrukken van een paar toetsen op mijn machine een alfabetische catalogus van laat ons zeggen alle ooit in het Engels verschenen boeken over mijn scherm laten glijden. Vervolgens kies ik daar het boek dat ik raadplegen wil uit. Dat boek laat ik dan op mijn scherm verschijnen. Alles dus als in een echte bibliotheek, alleen hoef ik niet te wachten en is de bibliotheek die ik gebruik groter dan enige bestaande bibliotheek. Heb ik het boek eenmaal op mijn scherm, dan kan ik iedere bladzijde ervan bekijken, net zo lang tot ik de informatie of het citaat dat ik nodig heb gevonden heb. Mijn printertje maakt er dan meteen een afdruk van, of ik sla de passage die ik nodig denk te hebben in mijn eigen geheugen op.
PTT lanceert in 1980 Viditel – een groot succes wordt het niet. Via de telefoonlijn levert één leverancier, vaak het nationale telefoonbedrijf, informatie. Het prijzige systeem heet een walled garden (’ommuurde tuin’). Het open internet betekent het einde ervan; in Frankrijk bestaat nog altijd het verwante Minitel.
Nu schijnen er wel computers te zijn die zeer veel tekst kunnen onthouden, maar die tekst moet er dan eerst met een schrijfmachine ingebracht worden. Ik heb liever een computer die foto’s van alle pagina’s op mijn scherm kan brengen, maar dat schijnt nog niet te kunnen. Toch geef ik daar de voorkeur aan.
Bedrijf Adobe ’neemt foto’s van pagina’s’, in 1983. Het resultaat is nu bekend als pdf. De grootschalige verspreiding ervan (en het zoeken erin) vergt veel computercapaciteit en lukt pas goed met breedbandinternet, vanaf 2000.
Mijn machine, gekoppeld aan die centrale machine, maakt allerlei dingen mogelijk die nu niet kunnen of uiterst tijdrovend zijn. Stel bijvoorbeeld ik wil dr. L. de Jong opbellen, de auteur van de geschiedenis van ons koninkrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij woont in Amsterdam, dat weet ik, want ik zie hem wel eens boodschappen doen. Maar het opsporen van zijn telefoonnummer is zo goed als onmogelijk. Vroeger was het telefoonboek alfabetisch ingericht en hoefde je maar een halve kolom L. de Jongs door te kijken tot je de prof. dr. had. Nu echter staan de De Jongs niet meer op voornaam gealfabetiseerd, maar op de straat waar ze wonen. Weet je die straat niet – en ik weet hem niet – dan kan ik de man die ik zoek alleen maar vinden door achttien kolommen De Jongs door te ploegen. Met mijn machine hoef ik alleen maar Louis de Jong in te tikken, en de titel van een van zijn boeken, en ik krijg niet alleen zijn complete werken, maar ook zijn adres en telefoonnummer op mijn scherm.
Online telefoongidsen bieden sinds 2000 uitkomst. Maar slimmer is Google: toets M. Rutte VVD 070 in en achterhaal een nummer dat met de Nederlandse minister-president te maken heeft.
Allerlei onderzoek wordt oneindig makkelijker. Zo wordt er al jaren gebekvecht over de vraag of de Duitse dichter Heinrich Heine nu al of niet geschreven heeft: ’Als er revolutie komt ga ik naar Holland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later.’ Hoe bewijs je dat Heine dat nooit geschreven heeft? Door zijn complete werken en brieven door te lezen. Maar helemaal zeker ben je dan nog niet: je kunt net even niet hebben opgelet toen je die passage las. Met de machine krijg je zekerheid: je geeft hem opdracht om je even alle regels van Heine waar het woord Holland in voorkomt te laten zien. In één minuut heb je zekerheid.
Heinrich Heine heeft dit niet geschreven, weten twee betrouwbare sites. Zij stellen dat het bedoelde citaat niet gaat over revolutie maar over zondvloed of, op z'n Duits: Weltuntergang. Van wie het citaat wél is, melden deze bronnen niet. Totale Google-tijd voor deze halve zekerheid: precies drie minuten en 32 seconden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen